Signaalnota

- 7/11/2017

De signaalnota (inclusief het begeleidend schrijven en de lijst met OVOP leden) werd op dinsdag 07 november 2017 digitaal en per post aan minister Vandeurzen en de drie koepels overgemaakt.

Een digitale versie werd eveneens aan de regiomanager Oost – Vlaanderen,  Isabelle Quintens, verstuurd

Oost-Vlaamse Directies van Organisaties voor Bijzondere Jeugdzorg (OVBJ’s), Onthaal-, Oriëntatie- en Observatiecentra (OOOC’s) en Centra Integrale Gezinszorg (CIG’s) trekken aan de alarmbel

Met deze nota willen wij bij de overheid aan de alarmbel trekken. “Machteloosheid” is een omschrijving die we de laatste maanden vaak op allerlei overlegfora horen: problemen zijn immens en complex, situaties schrijnend en onverantwoord, maar draagkracht heeft grenzen en middelen en mogelijkheden zijn beperkt of onbestaande!

Steeds zwaarder en complexer wordende problematieken.

Vraag aan de overheid om in dialoog te treden.

1. Probleemstelling

Ondanks alle inspanningen van het werkveld en pogingen van de overheid om verandering te brengen blijven schrijnende situaties te vaak onopgelost, kan passende hulp niet tijdig worden geboden en verblijven gekwetste en kwetsbare kinderen en jongeren te veel en te lang in onveilige situaties.

We zien steeds zwaarder en complexer wordende (multi)problematieken, jongeren met escalerend risicogedrag voor zichzelf en hun omgeving (ook in de leefgroepen), hulpverleners die uitgeblust en moedeloos geraken omdat ze onvoldoende passende externe ondersteuning vinden, directies die in functie van hulpgarantie nog nauwelijks hun verantwoordelijkheid kunnen nemen t.a.v. medewerkers en de hun toevertrouwde jongeren, consulenten en jeugdrechters die wanhopig zoeken naar aangepaste en passende oplossingen.

Directies van OVBJ’s, OOOC’s en CIG’s komen tot de spijtige vaststelling dat de kernopdracht, m.n. een kwaliteitsvolle hulpverlening bieden aan jongeren die zich in een problematische opvoedingssituatie bevinden, niet meer kan gerealiseerd worden: de omkadering evolueert onvoldoende met de wijzigende populatie, capaciteitsgebrek in eigen en belendende sectoren, nadelige effecten van besparingen door de overheid, toename van overleg en extra opdrachten zonder compensaties….

Wij vragen aan de overheid om dringend met het werkveld in dialoog te gaan om oplossingen uit te werken.

Vandaag vormt een VOS de basis voor hulpverlening in de bijzondere jeugdzorg.

 

 

De vrijwilligheid is dikwijls niet vanzelfsprekend.

 

 

De cliënten kampen met brede en talrijke problemen.

 

Ernstige ontwikkelingsmoeilijkheden.

 

 

Problemen over generaties heen.

Mantelzorg is een illusie.

 

Indruk: een plaats nodig ‘om te beveiligen’.

Het bijzondere van de bijzondere jeugdbijstand dreigt ondergesneeuwd te geraken.

 

 

Vlotter instromen wordt in de praktijk niet (altijd) zo ervaren.

 

2. De bijzondere jeugdbijstand anno 2017: op zoek naar zijn eigenheid

a. Van POS naar VOS

Een Problematische OpvoedingsSituatie (POS) vormde in 1985 bij de hervorming van de jeugdbescherming in Vlaanderen het uitgangspunt voor de Bijzondere Jeugdbijstand (BJB). De gecoördineerde decreten omschrijven een POS als “een toestand waarin de fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of sociale ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen, door bijzondere gebeurtenissen, door relationele conflicten of door de omstandigheden waarin zij leven.”

Een opvoedingssituatie werd aan de hand van drie parameters als problematisch omschreven (1999):

  • de breedte ofwel de hoeveelheid deelproblemen of problematische aspecten van de opvoedingssituatie.
  • de hoogte ofwel de ernst of het specifieke karakter van sommige probleemaspecten.
  • de lengte ofwel de lange duur of het chronische karakter van de problematische opvoedingssituatie.

Met de komst van Integrale Jeugdhulp en de positionering van de Intersectorale Toegangspoort werd recentelijk POS omgevormd naar VOS (Verontrustende Opvoedingssituatie). De basis voor het inroepen van maatschappelijk noodzakelijk geachte hulp is het aanvoelen van een situatie als zijnde een verontrustende situatie die door een hulpverlener, een cliënt of een derde als verontrustend ingeschat wordt omdat ze:

  • de ontwikkelingskansen van een minderjarige bedreigt (de provisie-, protectie- of participatierechten van de minderjarige worden geschonden);
  • de (psychische, fysieke of seksuele) integriteit van een minderjarige of van één of meer gezinsleden aantast;
  • een combinatie van beide omvat.

Vandaag vormt een VOS de basis voor hulpverlening in de bijzondere jeugdzorg. Deze hulpverlening situeert zich in een vrijwillig of in een gedwongen kader, veelal met tussenkomst van een Gemandateerde Voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) of een Jeugdrechtbank. Wij schatten dat in Oost-Vlaanderen Jeugdrechtbanken minstens 70 % van de beslissingen met module ‘verblijf’ (= residentiële plaatsing) voor hun rekening nemen.

De vrijwilligheid in de BJB is dikwijls niet vanzelfsprekend. Vrijwillige hulp wordt soms afgedwongen. Weerstanden (zeker bij opgelegde hulp), onvoldoende probleembesef en -erkenning beïnvloeden zeer sterk de motivatie en veranderingswensen van de cliënten. BJB-hulpverleners moeten kunnen omgaan met deze weerstanden en moeten in staat zijn om motiverend en zeer aanklampend te werken. Zij moeten rekening houden met het perspectief en de wensen van de cliënten maar tegelijk ook maatschappelijke wensen en verwachtingen in beeld brengen en (doen) respecteren.

De VOS wordt nog sterk verzwaard doordat de problemen waarmee de cliënten kampen breed en talrijk zijn. Het gaat hier om problemen op het vlak van de ouder-kindrelatie, de relatie tussen de ouders, de schoolse evolutie, de maatschappelijke integratie, de pedagogische bekwaamheid, de economische draagkracht, de persoonlijkheidsontwikkeling, de materiële omstandigheden enz.

Ook de ernst en het specifieke karakter van sommige probleemgebieden zijn tegelijk verzwarend: ernstige ontwikkelingsmoeilijkheden bij de kinderen, het conflictgehalte van de opvoedingssituatie waarbij de betrokkenen onderling in conflict komen (relationeel conflict), of waarbij ze botsen met de omgeving en de algemeen gangbare waarden (normatief conflict). We noemen als voorbeelden: zware hechtingsstoornissen, jongeren met minder mentale mogelijkheden vaak in combinatie met gedragsmoeilijkheden, psychiatrische problematieken of –stoornissen…

De VOS wordt tenslotte nog negatief beïnvloed door de duur van de problemen, dikwijls zelfs overheen generaties. Deze gezinnen staan vaak geïsoleerd in de wereld. Het ontbreekt hun aan steun- en omgevingsfiguren. Mantelzorg is voor hen een illusie.

We krijgen de indruk dat argumentatie voor het inzetten van een module verblijf momenteel vooral sterk is gebaseerd op de notie ‘verontrusting’. Men heeft een plaats nodig ‘om te beveiligen’ en brengt, minder dan voorheen, de onderliggende factoren die de POS beïnvloeden in rekening.

Sommige van onze jongeren hebben een MOF-statuut. De jeugdrechter komt dan tussen omwille van als Misdrijf Omschreven Feiten. Hoewel grensoverschrijdend gedrag niet goed is te praten zien we delicten en druggerelateerde feiten toch eerder als symptomen van hoger beschreven VOS. De begeleiding wordt dan nog intensiever en krijgt bijkomende accenten, bv. herstelgericht werken.

b. De integrale Jeugdhulp en modulair werken

Sinds de komst van de Integrale Jeugdhulp dreigt het bijzondere van BJB wat ondergesneeuwd te geraken. De uniformiteit van de typemodules overheen de sectoren zorgt ervoor dat het minder duidelijk is waar elke sector voor staat. Het lijkt alsof alle actoren nog hun weg zoeken in het vernieuwde jeugdhulplandschap.

Integrale jeugdhulp zou ervoor moeten zorgen dat hulp sneller kan starten en vlotter verloopt, dit o.m. door tussenkomsten van de Afdeling Continuïteit en Toegang en door intersectorale samenwerking.

Dit wordt in de praktijk niet (altijd) zo ervaren:

  • We stellen ons de vraag of cliënten nog op de meest passende plaats terecht komen? Vaak lijkt “een plaats hebben” belangrijker dan de inhoud van de begeleiding. Je ziet dan als indicatiestelling bij de toegekende modules vrijwel alle verblijfsmodules uit alle sectoren aangeduid staan.
  • Er zijn tal van vragen tot crisisplaatsingen. Vaak zijn dit eigenlijk ‘onechte’ crisissen, en gaat het om jongeren die vaak meerdere keren van de ene naar de andere voorziening verhuizen. Daarnaast hebben we, zeker in Oost-Vlaanderen, continue priorvragen en vragen voor dringende opnames. De effecten van voortdurende korte opnames zijn niet te onderschatten voor de kinderen of jongeren, leefgroepen en organisaties.
  • Het wachtlijstbeheer is voor cliënten, organisaties en aanmelders ondoorzichtig en nog weinig beheersbaar. Door de prior-regels, dringende hulpvragen, … ontstaat er een opnamecircuit naast de ‘reguliere’ wachtlijst.
  • Organisaties hebben geen vat meer op hun opnamebeleid; elke plaats dient zo snel mogelijk ingevuld onafgezien van de aard van de hulpvraag; leefgroepsprofielen worden aanhoudend doorkruist en blijken niet stand te houden; de ‘interne regie’ in een organisatie wordt door vele externe regels en instanties doorbroken (hulpgarantie, géén eenzijdige stopzettingen…).
  • Complexere en schrijnende situaties vragen verregaand engagement van voorzieningen. Het ontbreekt (vaak) aan de nodige omkadering en ondersteuningsmogelijkheden. De driehoek “cliënt, voorziening, verwijzer” is verdwenen of uitgehold. Als het fout loopt sta je er alleen voor: consulenten en jeugdrechters hebben geen alternatieven. Jeugdrechters kunnen hun dwingende mandaat te weinig kracht bijzetten.
  • Ondanks de intersectorale samenwerking zien we dat sommige voorzieningen/ sectoren hun instroom nog erg afschermen. Jongeren die in de BJB niet (meer) thuishoren en meer en beter gebaat zouden zijn met andere, meer passende hulp, krijgen we onvoldoende georiënteerd. Er blijft een schrijnend gebrek aan (vooral) langdurige residentiële behandelmogelijkheden in de jeugdpsychiatrie. De nieuwe mobiele en ambulante initiatieven die de Geestelijk Gezondheidszorg (GGZ) recent ontwikkelt, zijn noodzakelijk en zinvol maar zij bieden geen antwoord op de nood aan residentiële, vlot toegankelijke bedden in o.a. de kinder- en jeugdpsychiatrie.
  • De soepelheid, creativiteit en solidariteit die nodig zijn om complexe situaties te hanteren en te ontmijnen worden ingeperkt door regels en termijnen.
  • Capaciteitsgebrek, vooral in de verblijfsmodules, doet alles dichtslibben: instroom wordt onmogelijk (lange wachtlijsten…); doorstroom (ook intern) hapert, uitstroom blokkeert waardoor begeleidingen almaar langer duren.
  • Vlotte overgangen naar volwassenhulpverlening (Algemeen Welzijnswerk, zorg voor personen met een handicap en psychiatrie) zijn uitzonderingen.

Herstel van het gewone leven’ als voorwaarde voor het ‘bijzondere’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze kernopdrachten: basisklimaat, allianties, contextbegeleiding.

3. Onze kernopdracht

Kinderen of jongeren komen in de residentiële bijzondere jeugdzorg terecht wanneer doordacht wordt geoordeeld dat een uithuisplaatsing voor deze jongeren beter zou zijn voor hun ontwikkeling en bescherming. Uithuisplaatsing kan in onze visie enkel als blijkt dat ‘thuis’ geen veilige, groei-ondersteunende context is. Deze visie is ook conform het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Volgens dit verdrag zijn de ouders de eerste verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen (artikel 18), maar het is ook de plicht van de overheid om kinderen die niet in hun gezinsmilieu kunnen leven bijzondere bescherming te bieden, en om er voor te zorgen dat voor hen een beroep kan gedaan worden op gepaste alternatieve gezinsopvang of op plaatsing in een instelling (artikel 20).

Vanuit ons (ortho)pedagogisch denken hechten we veel belang aan ervaringen die mensen opdoen in het hier en nu. Het is onze opdracht om de kinderen en jongeren op verschillende domeinen én binnen een veilige context oefenkansen en structuur te bieden die hen op weg helpen naar groei en zelfstandigheid.

Dit is wat onze medewerkers elke dag opnieuw doen binnen de context van de leefgroepswerking. Het begeleiden gebeurt immers in de eerste plaats wanneer begeleiders en kinderen/jongeren samen dingen doen in het hier en nu, wanneer ze samen op stap gaan doorheen het dagelijks leven.

Het boek ‘Het herstel van het gewone leven’, is een basiswerk dat ook vandaag nog zeer toepasselijk is op de (bijzondere) jeugdzorg. Ter Horst stelt dat ‘het gewone’ een voorwaarde is voor ‘het bijzondere’, en heeft het over 7 grondvormen in het handelen van de opvoeder: samen spreken, samen eten en drinken, samen spelen, samen zorgen, samen werken (en leren), samen erop uit trekken en samen vieren.
Door dit samen handelen in het gewone leven bieden we de nodige oefenkansen die onze kinderen en jongeren nodig hebben bij de ontplooiing van hun mogelijkheden.

Sinds 1969 al besteden verschillende auteurs aandacht aan het belang van een positief leefklimaat in leefgroepen (Trieschman 1969, Ter Horst 1977, Kok 1984, Lambert en Bailey 2001, Pijnenburg 2010 en Sulmani-Aïdan 2016). Zij stellen dat kinderen en jongeren zich, dankzij een positief leefklimaat, veiliger voelen, meer en beter gemotiveerd zijn en sneller copinggedrag ontwikkelen om met problemen om te gaan. Van der Helm (2011) onderzocht het basisklimaat in leefgroepen met MOF-jongeren en kon aantonen dat recidivisme vermindert als wordt ingezet op het leefklimaat.

Daarnaast is het belangrijk om de werkbare factoren die bijdragen tot een positief leefklimaat continue onder de aandacht te brengen. Het gaat dan over: de allianties jongere-begeleider en ouder-begeleider, sfeer en gezelligheid in de groep, regels en afspraken, dagelijkse routine en –structuur, groepsdynamiek en, voor medewerkers, het werkklimaat.

Dit vraagt een permanente vorming en bijscholing van begeleiders, waar we als organisaties ook graag op inzetten maar wat invloed heeft op het totale urenpakket waarin begeleiders hun kerntaak moeten vervullen.

Het contextuele gedachtegoed leert ons (ook) hoe belangrijk de context voor een jongere is. Wij hebben de opdracht om de jongere voortdurend in verbinding te brengen met zijn context en met de omringende maatschappij. Dit doen we door bevredigende contacten gaaf te houden, waar mogelijk verbindingen te herstellen, nieuwe contexten te verkennen… Belangrijk is dat we daarbij altijd vertrekken vanuit de cliënt. Dit vergt van de begeleiding een voortdurende alertheid, een constante evenwichtsoefening en continue interactie tussen jongere-ouder-begeleiding en zijn omgeving.

Onze kernopdrachten (basisklimaat, allianties, contextbegeleiding) vinden hun vertaling in een aanbod van verschillende modules, die mobiel, ambulant of residentieel kunnen zijn. Binnen deze nota leggen we de focus op de residentiële modules omdat de druk zich daar het meeste manifesteert. We doen hierbij geen afbreuk aan de complexiteit en de moeilijkheden die worden ervaren binnen de andere modules. Ook daar is het onvermogen om afdoende veiligheid te garanderen een ‘hot’ item zeker in gezinnen met jongere kinderen.

Constant wijzigende regelgeving

 

 

 

De leefgroepen

 

 

 

 

 

 

 

Moeilijker hanteerbaar probleemgedrag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kwaliteit en zelfevaluaties: steeds verbeteren…, meetbare verbetering…

 

 

 

 

Welzijn op het werk

 

 

 

 

Verhogende administratieve opdrachten

 

 

Samenwerking, netwerking

 

 

 

 

Voldoen aan Vlaamse, federale en Europese wetgeving

 

 

Vernieuwende en innovatieve projecten

 

 

 

Klachten en incidentmeldingen

 

 

 

 

 

Het kunnen omgaan met negatieve maatschappelijke kritieken wordt stilaan meer en meer een competentie van hulpverleners;

 

Steeds hogere eisen.

4. Probleemstelling op basis van evoluties

Vandaag moeten we vaststellen dat het vaak bijzonder moeilijk is om tot onze kernopdracht te komen. Hieronder willen we dit staven aan de hand van een aantal recente evoluties op verschillende domeinen: er is nog weinig rust in de leefgroepen, problematieken worden steeds complexer en zijn meervoudig aanwezig, alternatieven zijn onvoldoende, toenemende en veranderende opdrachten…

Constant wijzigende regelgeving, ook in de belendende sectoren, en continue veranderingen in de concrete werkomgeving maken het bijna onmogelijk om tijdig deze vernieuwingen op te volgen en ermee om te gaan. Daardoor resten onvoldoende tijd, middelen en energie voor het systematisch en planmatig borgen van de zo belangrijke kwaliteitsprocessen. De eigen interne kwaliteitsplanning wordt immers constant doorkruist door externe en dwingende opdrachten.

a. Weinig rust en druk op de leefgroepen

Steeds meer jongeren hebben moeite om een zinvolle dagbesteding aan te houden. Schoolse trajecten lopen steeds moeilijker, spijbelgedrag komt meer en meer voor, jongeren zijn overdag vaker in de leefgroep, we moeten op zoek naar alternatieve dagbesteding…

We merken ook dat er steeds meer jongeren zijn die weinig in de context terecht kunnen, en dus (bijna) voltijds in onze leefgroepen verblijven. De ‘rustige’ momenten, die zowel jongeren als begeleiders nodig hebben om even op adem te komen worden steeds schaarser.

Tegelijk moeten we met en voor jongeren waarbij de context afwezig of ontoereikend is op zoek naar nieuwe contexten. Voor sommigen van hen is dit een zeer moeilijk en moeizaam proces. Hechtingsproblemen, wantrouwen op basis van eerdere mislukkingen en faalervaringen bemoeilijken vaak het hulpverleningsproces.

Uiteraard vragen dergelijke delicate thema’s zorgvuldige en energievretende processen.

b. We ervaren steeds meer en moeilijker hanteerbaar probleemgedrag

Elke dag krijgen we in leefgroepen te maken met grensoverschrijdend gedrag. Dit kan vele vormen aannemen. De mate van begrenzing varieert naargelang situatie en aard van problematiek bij de jongere. Bij een aantal jongeren lukt het niet om grensoverschrijdend gedrag te begrenzen. Als er door dat gedrag risico’s zijn voor zichzelf en anderen wordt het problematisch om de basisveiligheid in de leefgroep te garanderen. Het is een complex probleem waarbij diegene die grensoverschrijdend gedrag stelt, net als de anderen, slachtoffer wordt van de onveiligheid. Men probeert vaak op intensieve wijze aandacht te geven aan die jongere met een moeilijk te hanteren probleemgedrag. Ook dan moeten we sterk gaan individualiseren.

Dit alles vereist veel tijdsinvestering en voldoende omkadering om gepast te kunnen handelen. Herstelgericht werken, proactief handelen, individuele activiteiten en inschakelen van bijkomende deskundigheid (outreaching, externe psychotherapie) zijn acties die we ondernemen om veiligheid en rust te brengen. Pijnlijk wordt het wanneer, ondanks bijkomende inspanningen, geen begrenzing mogelijk blijkt en het risicovol gedrag zich persistent blijft herhalen. We vinden het essentieel dat er in de leefgroep een klimaat van veiligheid heerst, waarbij ieders integriteit wordt gegarandeerd.

Het verwijderen of doorschuiven van jongeren die met zichzelf in de knoop liggen en geen zinvol toekomstperspectief meer hebben, willen we vermijden omdat dit geen oplossing voor de cliënt biedt. Maar soms lukt het echt niet meer omdat leefgroepsgenoten revolteren, omdat ouders druk zetten en verwachten dat hun kind veilig is of omdat ‘personeel opgebrand’ geraakt door continue druk.

Voorzieningen komen voor grote uitdagingen te staan om in deze limietsituaties begeleidingen niet te stoppen zonder dat er een goed alternatief is. Tegenwoordig is dit er meestal niet waardoor de jongere in de voorziening blijft ook al is zijn gedrag ‘ontoelaatbaar’ voor andere jongeren en begeleiders.

Dit is een uitermate complex probleem omdat de oplossing niet mag bestaan uit het aan zijn lot overlaten van de jongere. Vaak kan een plaatsing behouden blijven door een intensief spel van ‘verdragen’, tijdelijk verwijderen, opnieuw proberen en voortdurend onderhandelen met alle betrokkenen en mits het activeren van netwerkpartners (outreaching diensten, VK, diensten GGZ, …). 
Het is pijnlijk om vast te stellen dat in bepaalde situaties van permanent probleemgedrag door een bewoner andere jongeren naar ‘hun context ‘worden gestuurd om de situatie voor hen leefbaar te houden. Soms worden jongeren ‘gecolloqueerd’ in volwassenpsychiatrie, louter om te beveiligen. Af en toe gaan ze zelfs tijdelijk naar huis (van waaruit ze omwille van VOS werden geplaatst).

Daarenboven heeft het feit dat we zelf nog moeilijk een eigen interne regie kunnen voeren o.a. tot gevolg dat meerdere jongeren met complexe problematieken tegelijk en langer dan verantwoord samen (moeten) leven in een leefgroep. Negatieve beïnvloeding, versterken van negatief gedrag, cohesievorming tegen de begeleiding, fugues en incidenten, onrust en stijgend onveiligheidsgevoel voor de andere bewoners … zijn bekende gevolgen.

Zonder erkenning van de moeilijkheden en zonder bijkomende middelen (sterkere omkadering, samenwerking met (beschikbare) verblijfsmodules in de jeugdpsychiatrie) zullen die problemen leiden tot ‘onhoudbare situaties’, waarbij we ongevallen of ernstige psychische schade bij alle betrokkenen (de jongere zelf, zijn leefgroepsgenoten, de medewerkers) niet uitsluiten!

c. Onze opdrachten nemen toe als gevolg van een toenemende professionaliteit

De opdrachten van de voorzieningen nemen toe. Er wordt werk gemaakt van een kwaliteitsbeleid waarin voorzieningen streven naar permanente verbetering en groei. Dit vereist veel aandacht voor het verzamelen en verwerken van de relevante gegevens om ‘verbetering’ meetbaar te maken. Planning, aansturing, evaluatie en bijsturing zijn de sleutelprocessen voor een goed lopend kwaliteitsbeleid.

Ook de professionele ontwikkeling van de medewerkers vraagt de nodige aandacht en energie. Het gaat dan niet alleen over het plannen en organiseren van een passend personeelsbeleid maar ook over het tijdig en gepast aanbieden van personeelszorg.

Een voorziening dient werk te maken van het welzijn van de jongeren en de medewerkers. Dit betekent dat er geld en tijd dient gespendeerd te worden aan diverse aspecten van welzijn. De tendens tot samenwerking en fusies leidt tot grotere organisaties, die onderhevig zijn aan bijkomende wetgeving. Een comité voor preventie en bescherming op het werk en ondernemingsraden komen meer en meer voor. Een grote zorg vormen werkschema’s, waarbij de combinatie werk/privé voor de medewerkers haalbaar blijft. Dit is van groot belang om degelijk te kunnen werken. Een goede werking is maar mogelijk met behoud van medewerkers, zodat continuïteit van zorg en van kennis gegarandeerd blijft. Zeker in het werken met kwetsbare jongeren is de relationele component van wezenlijk belang. Te veel wisselingen van medewerkers beïnvloeden de hulpverlening negatief en overbelasten het ‘vast kader’.

De overheid is terecht bekommerd om data te verkrijgen over de werking van de gesubsidieerde voorzieningen. Hiervoor werd BINC in het leven geroepen. Ondanks de inspanning van de overheid om te voorkomen dat er (te) veel tijd aan registratie wordt gespendeerd stellen we vast dat de bijkomende ‘administratieve opdrachten’ (niet alleen BINC) een steeds grotere brok werkuren opeisen. Deze werkuren hebben betrekking op een of andere vorm van ‘verantwoording’ maar brengen weinig tot zelfs geen rechtstreekse meerwaarde mee voor de hulpverlening.

De meest in het oog springende bijkomende opdracht is de samenwerking in professionele netwerken. De maatschappelijke problemen worden zo complex dat één enkele instantie niet bij machte is een gepast antwoord te bieden. Het samenwerken in professionele netwerken wint aan belang. Maar tot nog toe is het volledige proces van uitbouw van samenwerking gedragen door de diverse partners: het kost voor elke partner in het netwerk meer tijd en geld zonder dat er een incentive tegenover staat. De vraag is maar hoe lang dit houdbaar is?

In het vernieuwde jeugddelinquentierecht kijkt men naar de private voorzieningen om voor bepaalde doelgroepen ‘gesloten/besloten’ opvang te voorzien. Het weze duidelijk dat we dit enkel en alleen aankunnen als daar voldoende middelen en omkadering tegenover staan.

Tot slot wijzen we ook op een reeks wetten die op de voorzieningen afkomen maar niet opgelegd werden vanuit de hulpverlening. Het betreft toepassing van diverse federale en Europese wetten, zoals Werkbaar Werk, de wet op databeveiliging ( ingaand op 31 mei 2018) enz. …

d. Verwachtingen ten aanzien van de hulpverlening veranderen

De maatschappij mag van ons verwachten dat wij mee vorm geven aan de samenleving: exploreren van cliëntnoden, opsporen van moeilijkheden die zij ondervinden bij hun zelfrealisatie en participatie aan het samenleven, creatief nadenken over aangepaste en meer passende hulpvormen, signaleren van hiaten in de hulpverlening, hertekenen van organisatie- en samenwerkingsmodellen, inzetten op intersectorale samenwerking, verzamelen van feedback van medewerkers, cliënten en strategische partners en op basis daarvan vernieuwende en innovatieve projecten opzetten… Sommige collega’s werken mee aan het project Back To Basics (VOT Ieper); anderen zoeken alternatieven voor de klassieke verblijfsvormen.

Als erkende en gesubsidieerde voorzieningen krijgen wij regelmatig inspecties, soms ook n.a.v. klachten of incidentmeldingen. Wij begrijpen de noodzaak en het belang daarvan maar willen toch opmerkingen maken bij timing en afstemming. De visies van het Agentschap Jongerenwelzijn en van de Afdeling Inspectie en Toezicht over kwaliteitszorg blijken soms te verschillen: het Agentschap legt krijtlijnen vast en verwacht dat voorzieningen deze passend invullen, Inspectie vraagt om ‘aan te tonen’. Ook bij inspecties n.a.v. incidenten of klachten stellen we vast dat men criteria hanteert waarvan wij de oorsprong niet kennen (bv. dat een permanentie binnen de 15 minuten moet ter plaatse komen, vragen over de basisopleiding van medewerkers, …) en die niet in de regelgeving zijn omschreven. Wij menen dat je in crisissituaties eerst en vooral moet focussen op het beheersen van het probleem en zorg voor cliënten en personeel!

Samen met de toegenomen opdrachten en complexiteit worden de maatschappelijke verwachtingen hoger gelegd. Men wordt sneller ongeduldig als een hulpverlening niet leidt tot gewenst resultaat. Scholen begrijpen niet dat een leerling niet op school geraakt als hij ‘geplaatst’ is, ouders verwachten dat het probleemgedrag afneemt zonder soms zelf hun eigen aandeel te zien, politiediensten begrijpen niet dat de ‘voorziening zomaar toelaat’ dat jongeren de leefgroep ontvluchten. Het is voor hulpverleners pijnlijk als grote inspanningen worden geleverd zonder gunstig gevolg. Het kunnen omgaan met negatieve maatschappelijk kritieken wordt stilaan meer en meer een competentie van hulpverleners.

We zien in de samenleving de complexiteit toenemen. Deze complexiteit stelt steeds hogere eisen aan zijn burgers, waardoor steeds meer (kwetsbare) jongeren met beperkingen (psychische problemen, gedragsproblemen…) niet meer aan die eisen kunnen voldoen en overal (school, werk, vrije tijd…) buitenspel worden gezet. Dit gegeven, én het onvermogen van het merendeel van onze cliënten om hiermee op een bekwame en aanvaardbare manier om te gaan, dienen wij als hulpverleners voortdurend in rekening te brengen.

 

 

 

 

Besparing op de werkingsmiddelen

 

 

 

 

 

 Gecamoufleerde besparing op de personeelsmiddelen

5. De overheid in besparingsmodus maakt beleidskeuzes

a. Beleidsmatig

De overheid besliste in 2013 om fors te besparen op alle uitgaven van de overheid. Ook de BJB is getroffen door deze maatregel. Het overheidsbeleid is gericht op ‘snoeien om later te bloeien’. Deze slagzin vond zijn concrete vertaling in een ‘ eenmalige besparing van 5% op de werkingsmiddelen, aangevuld met het systematisch overslaan van de index voor de werkingsmiddelen.
Als we aan dit tempo doorgaan zal in 2019 ongeveer 1 euro op 5 zijn weggespaard.

b. Middelen

De werkingsmiddelen van de voorzieningen zijn momenteel gedaald met 15% tegenover de referentienorm waarop de voorzieningen in principe recht hebben. Ogenschijnlijk verteert de sector de besparingen vlot. Deze signalen, recht uit de praktijk, bewijzen allicht het tegendeel!

c. Personeel

We stellen vast dat men niet meer rondkomt met de subsidies voor de werkingsmiddelen. Dit wordt gehaald uit andere posten, waarbij de post personeel het meest in het oog springt. Uit de personeelskengetallen ziet men een daling van het aantal vervangingen, waardoor de werkdruk voor de anderen toeneemt.

 

 

 

 

Organisaties kunnen niet anders dan over hun grenzen gaan.

 

 

 

Met repercussies op de medewerkers: burn-out, onmacht, tekort aan middelen voor verhoogd VTO, …

 

 

 

 

Tekort aan mogelijkheden om vlot te schakelen

 

 

 

Professioneel werken in de leefgroepen… maar minderjarigen voelen zich onveilig door gedrag van leefgroepsgenoten…, escalaties, …

 

 

 

 

 

Het kan toch niet de bedoeling zijn dat deze minderjarigen in een leefsituatie terechtkomen die eigenlijk ook onveilig is!

6. De gevolgen die we vandaag dragen op verschillende vlakken

De combinatie van bovenvermelde evoluties én de beleidskeuzes heeft gevolgen zowel voor organisaties, voor medewerkers als voor de jongeren en ruimer gezien de gezinnen.

a. Voor organisaties

De organisaties worden tot het uiterste uitgedaagd en moeten over hun grenzen gaan om cliënttrajecten te borgen.

Wanneer dit gepaard gaat met klachten van jongeren uit de leefgroep en hun ouders wordt het niet gepast kunnen handelen niet alleen een grote bron van ergernis maar ook een bijkomende stressfactor.

b. Voor medewerkers

De onmacht voor de medewerkers neemt toe zonder dat er perspectieven zijn tot verandering. Het zijn vaak de sterk geëngageerde medewerkers die een burn-out krijgen door zoveel onmacht. Het is belangrijk dat de voorzieningen een beleid voeren dat medewerkers ondersteuning biedt. Dit houdt minstens erkenning in van hun problemen en het nemen van de nodige maatregelen. Vaak lukt dit niet meer door een combinatie van beperkende wetgevingen in de bevoegdheid van directies en/of het gebrek aan inzetbare middelen. Door een fundamenteel gebrek aan middelen schieten we tekort om voor onze medewerkers voldoende opleiding en ondersteuning te voorzien om met dit grensoverschrijdend gedrag om te gaan.

c. Voor gezinnen

Gezinnen hebben een evoluerende hulpvraag met pieken en dalen. Het kunnen inspelen op de noden van een gezin door tijdelijke trajectwijzigingen via schakeling naar andere modules vormt de basis van succes. Uit het onderzoek van professor Pijnenburg blijkt dat de hulpverlening meest effectief is als cliënten mee beslissen over het proces en traject van de hulpverlening. Het botsen op tekort aan mogelijkheden om op tijd te schakelen of om de intensiteit te veranderen doet tekort aan jongeren en hun gezin.

d. Voor jongeren

De jongeren komen in voorzieningen terecht die meer dan ooit professioneel goed werken. De ergste situaties zijn die waarbij jongeren zich onveilig voelen door gedrag van leefgroepsgenoten omdat noch de begeleiders, noch de directie voldoende impact hebben. Vaak moet men lijdzaam toezien hoe een situatie escaleert. De onmacht van de begeleiders wordt weerspiegeld in de onmacht van de groep in de roep om een veilige plek. Dit probleem is maar op te lossen als er voldoende hulp voorhanden is om jongeren met complexe problemen te oriënteren naar een meer passende setting of te zoeken naar externe ondersteuning voor het uittekenen van haalbare cliënttrajecten Als dit niet kan is het minstens wenselijk het eigen team te versterken.

Besparen op personeel om financieel nog rond te komen is, in leefgroepen waar zwaar escalerend gedrag voorkomt, ronduit onverantwoord!

Daarnaast is er ook de sterke invloed op het welbevinden van bewoners in de leefgroepen. Het leven in een groep waar het klimaat gekenmerkt wordt door grensoverschrijdend gedrag en continue dreiging van agressie heeft een bijzonder nefaste impact op de ontwikkelingskansen. We mogen niet vergeten dat deze kinderen en jongeren in de leefgroep verblijven net omdat geoordeeld wordt dat een uithuisplaatsing beter zou zijn voor hun ontwikkeling. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat deze kinderen en jongeren dan in een leefsituatie terechtkomen die eigenlijk ook onveilig is?

 

 

 

Ook de hulpverlening meot tegemoet komen aan de basisbehoeften van de minderjarigen, en net dit staat onder druk, waardoor zorg op maat onmogleijk is geworden.

 

 

Onmacht …

en de kernopdrachten komen in het gedrang.

Rechten van het kind

 

Dialoog

 

Opstellen van een structureel plan

7. Conclusies

In de residentiële hulpverlening voor zeer kwetsbare jongeren staan de hulpvraag en de hulpverleningsdoelen centraal. Het pedagogisch basisklimaat in residentiële voorzieningen staat momenteel onhoudbaar onder druk doch is dit net een basisvoorwaarde voor het intense hulpverleningsproces dat we met de cliënt aangaan. Een pedagogisch basisklimaat waarbij huiselijkheid, sfeer en warmte, routine en ontwikkelingsstimulering de kern vormen. Belangrijke basisbehoeften voor alle kinderen en jongeren zijn niet alleen eten, drinken en een veilige plek, maar ook warmte, je welkom en geaccepteerd voelen, volwassenen in je omgeving op wie je kunt rekenen, gezien en gewaardeerd worden, ruimte krijgen om je grenzen te verkennen en te worden wie je bent. Kortom, mogelijkheden voor groei en ontwikkeling. Ook de residentiële hulp moet aan die basisbehoeften tegemoet komen en net dit staat onder druk, waardoor zorg op maat onmogelijk is geworden.

We voelen een onmacht binnen de sector Bijzondere Jeugdzorg. Deze onmacht is aanwezig bij alle actoren in het veld: de organisaties, de medewerkers, de verwijzers, maar ook bij de jongeren en hun contexten. Een combinatie van factoren zorgt ervoor dat we er vandaag niet in slagen om te doen wat we horen te doen. Onze kernopdrachten komen in het gedrang. We voelen duidelijk de nood aan een vernieuwde input om ons basiswerk opnieuw te kunnen uitvoeren.

Alle onderschrijvers van deze signaalnota hebben een positieve mens- en maatschappijvisie.

Wij willen, voor de meest gekwetsten en voor de meest kwetsbaren, die zich bevinden in of betrokken zijn bij een problematische opvoedingssituatie en waar de maatschappij zich zorgen maakt over de ontwikkelingskansen en/of de veiligheid van kinderen en jongeren, kwaliteitsvolle, aanklampende en passende hulp aanbieden die hen verbindt met hun context en met de samenleving.
Als veerkrachtige en dynamische organisaties geloven wij in de mogelijkheden en krachten van elk mens om zichzelf te realiseren.
Wij verwachten van de overheid hulp en steun om de balans tussen veerkracht en machteloosheid te herstellen waar mogelijk en nodig.

Zelf willen wij ons absoluut blijven engageren voor deze doelgroep, met inzet en professionaliteit, aanklampend, geduldig, creatief en vasthoudend, verbindend en gericht op samenleving.
Wij willen ons daarbij zelfkritisch opstellen en ons openstellen voor feedback van cliënten, medewerkers en strategische partners.

Als organisaties voor bijzondere jeugdzorg stellen we vast dat we met de huidige middelen niet kunnen garanderen dat de Rechten van het Kind, namelijk het bieden van een voldoende veilige opvoedingscontext, gegarandeerd kunnen worden.

We willen in dialoog gaan met de overheid, en we willen vaststellen dat de gesignaleerde problemen worden erkend.

We willen samen met de overheid een structureel plan opstellen dat op korte termijn inspeelt op de moeilijkheden, zodat we opnieuw in staat zijn een veilig leefklimaat te bieden; opnieuw komen tot onze kernopdracht: een kwaliteitsvolle en bijzondere jeugdzorg en tevens werk kunnen maken van werkbaar werk voor al onze medewerkers.